Terug naar Overzicht
Klik Hier

De betekenis van het Bijbelboek Openbaring

Uitleg van de hoofdstukken 1,2 en 3 van het boek Openbaringen.

Bijbel boek Openbaring

Inleiding
De schrijver van dit Bijbelboek is de Apostel Johannes. (Openbaring 1:1-8). Het is heel belangrijk om in te zien dat deze profetie een rechtstreekse openbaring is van de Here Jezus Christus zelf. Dat blijkt duidelijk uit het boek Openbaring, dat zich parallel aansluit bij de profetische boeken van het Oude Testament. Daarin vindt het boek ook een bevestiging van de juistheid van de profetisch voorzeggingen. Volgens oude geschriften werd de 'Openbaring' door Johannes geschreven tegen het einde van de regering van de Romeinse keizer Domitianus ongeveer in het jaar 95 na Chr.

Dit enige profetische boek in het Nieuwe Testament heet feitelijk ten onrechte "Openbaring van Johannes", want Johannes heeft daarin niets geopenbaard. Wij zien hier dus Jezus Christus genoemd als de feitelijke auteur van de 'Openbaring'. Deze openbaring is dus door God gegeven "om Zijn dienstknechten te tonen hetgeen spoedig geschieden moeten". Daarom is er ook, geen excuus, geen verontschuldiging voor iedereen die kennis heeft kunnen nemen van deze boodschap en het naliet. God heeft immers in deze boodschap klaar en helder weergegeven wat Hij van plan is te doen met deze wereld en welke toekomst Hij heeft voor zijn gemeente.

Wanneer wij opmerkzaam zijn ten aanzien van de reeds vervulde profetiën en de ontwikkelingen in deze tijd, dan kunnen we terecht zeggen dat 'de tijd nabij is' dat het gehele boek Openbaring in vervulling zal gaan. Veel wat hier beschreven wordt heeft namelijk betrekking op de tijd waarin we nu leven. Het betreft in het bijzonder die gebeurtenissen, die in zo nauw verband staan met "de tweede komst van Jezus Christus in heerlijkheid" (zie ook vers 7), maar ook met de toestand van de Gemeente, de antichristelijke heerschappij en haar uiteindelijke vernietiging door Christus en de vestiging van het Duizendjarig Vrederijk van God dat de gehele aarde zal bedekken.

Opmerking: De mening dat dit Bijbelboek door een ander dan Johannes geschreven zou kunnen zijn mist elke grond. Opmerkelijk is het onder andere, dat in het gehele Nieuwe Testament de naam "Woord Gods" voor Christus alleen voorkomt in het Johannes-Evangelie (1:1), in de 1e Johannesbrief en in Openbaring 19:13, dus uitsluitend in die Bijbelboeken welke aan de apostel Johannes worden toegeschreven:

"In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God." Johannes 1:1
"En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd* was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods." Openbaring 19:13

Hoe moeilijk het ook voor ons mensen te begrijpen is, toch verstaan we uit de Bijbel dat Jezus Christus de Openbaring Gods Zelf is. Met andere woorden, alles wat in God is, is ook in Hem, de Vader droeg Hem op om Zijn dienstknechten die op aarde wonen te tonen, wat in het laatste tijdperk van deze bedeling gebeuren zal. Er ligt een oneindige genade in deze laatste woorden. God wil niet, dat de Gemeente onkundig zal zijn betreffende de catastrofale dingen die over de aarde en de mensheid zullen komen. Maar hoe groot de heerlijkheid ook is die ons uit "De Openbaring aan Johannes" tegemoet komt. In geen enkel Bijbelboek wordt ons op zo'n duidelijke wijze de zaligheid, die ons wacht in het Nieuwe Jeruzalem en op de Nieuwe aarde afgeschilderd. Waarschijnlijk besluit het Boek der Openbaring om deze redenen het Nieuwe Testament.

Het boek heet in het Grieks "Apocalyps".
Apa is wegnemen. Calyps is sluier. Apocalyps betekent dus: ontsluiering of Openbaring. Openbaring wil zeggen, dat iets publiekelijk bekend gemaakt wordt. Iedereen heeft dus recht het te weten, daarom hebben zij die de "Openbaring aan Johannes" een gesloten boek noemen, het helemaal mis. Het is in ieder geval tegen de bedoelingen van onze God in.
Het Boek is speciaal voor de Gemeente, de kinderen Gods. Het is geschreven door Johannes, de apostel van de Heer, in opdracht van Zijn Heiland die hij opnieuw mocht ontmoeten op het eiland Patmos. Met nadruk wordt in Openbaring 1:3 gezegd, dat zij die de profetieën in dit boek beschreven, lezen, horen en bewaren, zalig genoemd worden:

"Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij." (Dat Christus terug komt voor de Gemeente)" Openbaring 1:3

Begroeting der zeven Gemeenten.
De brieven (boodschappen) aan de zeven Gemeenten (zie Openb. 2 en 3), die inderdaad bestaan hebben, stellen profetisch voor de zeven fasen die de Gemeente van Christus heeft doorgemaakt (of nog zal doormaken), vanaf het jaar 96 na Christus tot de wederkomst van de Heer.
Jezus spreekt hier tot alle gelovigen, die zich op aarde bevinden. Johannes brengt lofprijs aan de Here Jezus Christus en eert het Lam, dat onze verlossing bracht:

"Johannes aan de zeven gemeenten in Asia: genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn, En van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde. Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed (En Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt) Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen." Openbaring 1:4-6

De zeven Geesten voor de troon duiden op de volheid van Heilige Geest. De Heilige Geest is een Persoon (De Here God Zélf), maar kan Zich in verschillende vormen openbaren. Onze Heer wordt in vers 5 de Getrouwe Getuige genoemd, Die ons van zonden rein wies in Zijn Bloed, de grote Middelaar tussen God en de mens. Onze Here Jezus droeg voor ons de Adamitische vloek (de zondeval Genesis. 3) en voor de mensheid, indien een mens Hem erkent als Verlosser en Zaligmaker, de weg tot God opende. Hij maakte ons tot Koningen en Priesters om geestelijke offeranden te offeren, dat is onze toewijding en aanbidding. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.

Meer lezen? U kunt deze Bijbelstudie gratis downloaden: KLIK HIER




Bijbelstudies - Openbaring 2, 3